Europa staat op een kantelpunt in zijn economische relatie met China. Wat jarenlang vooral een verhaal van groeiende handel en wederzijds voordeel was, is vandaag uitgegroeid tot een strategische afhankelijkheid waarin toegang tot kritieke grondstoffen centraal staat. Nieuwe inzichten uit een recente studie tonen scherp hoe diep die afhankelijkheid zit. Voka pleit voor een realistische en evenwichtige aanpak: open blijven waar mogelijk, kordaat optreden waar nodig.
Kritieke grondstoffen vormen de ruggengraat van de moderne economie. Ze zijn onmisbaar voor digitale toepassingen, hernieuwbare energie en industriële productie. Denk aan batterijen, windmolens, halfgeleiders en defensietoepassingen. Tegelijk is Europa voor een groot deel van die materialen afhankelijk van import, en in het bijzonder van China. Deze afhankelijkheid is niet alleen een kwestie van hoeveel Europa invoert, maar ook van hoe cruciaal die grondstoffen zijn voor de industrie.
De centrale rol van China zit vooral in de verwerking en raffinage van grondstoffen. In veel gevallen gaat het niet om de ontginning zelf, maar om de stap daarna: het omzetten van ruwe materialen in bruikbare industriële inputs. China beheerst vandaag een groot deel van die tussenfase in de waardeketen. Daardoor ontstaat een structurele afhankelijkheid in de zogenaamde ‘midstream’ van de keten. Net daar zijn alternatieven moeilijk te ontwikkelen en zijn de kosten om over te schakelen hoog. Tegelijk bouwt China via een industriële strategie, subsidies en exportcontroles bewust aan geopolitieke invloed via grondstoffen. Toegang tot kritieke grondstoffen is een geopolitiek instrument geworden voor China.
De afhankelijkheid van China werkt door in een aantal sleutelindustrieën die de toekomst van Europa bepalen. Batterijproductie en elektrische voertuigen zijn afhankelijk van materialen als lithium en kobalt. De halfgeleiderindustrie steunt op grondstoffen zoals gallium en germanium. Hernieuwbare energie en defensietoepassingen vragen dan weer zeldzame aardmetalen en gespecialiseerde metalen. Wat deze afhankelijkheid extra problematisch maakt, is dat er vaak weinig substituten zijn. Zelfs kleine verstoringen in de toevoer kunnen daardoor een grote economische impact hebben.
Tegen deze achtergrond pleit Voka voor een duidelijke koerswijziging in het Europese beleid tegenover China. Volgens Voka is de relatie fundamenteel veranderd: wat vroeger een relatief evenwichtige economische relatie was, is vandaag geëvolueerd naar een situatie met duidelijke asymmetrie en toenemende afhankelijkheid. Voka pleit niet voor een breuk met China. Integendeel, China blijft tegelijk partner, concurrent en in sommige domeinen systeemrivaal. De uitdaging bestaat erin die complexiteit te erkennen en er strategisch mee om te gaan. Daarbij benadrukt Voka dat niets doen geen neutrale optie is. Zonder actie neemt de kwetsbaarheid van Europa automatisch toe. Europa moet dus evolueren van een eerder naïeve benadering naar een beleid dat vertrekt vanuit economisch realisme en strategische belangen.
Open markten blijven essentieel voor groei en welvaart, maar ze kunnen alleen functioneren als er sprake is van wederkerigheid en eerlijke concurrentie. Concreet betekent dit dat Europa drie prioriteiten moet combineren. Ten eerste moet het inzetten op eerlijke handelsvoorwaarden. Ten tweede moet het strategische afhankelijkheden afbouwen, zeker in kritieke sectoren zoals grondstoffen door te kiezen voor recyclage en Europese ontginning, en technologie door te kiezen voor innovatie en een soepel regelgevend kader. Ten derde moet Europa zijn eigen economische fundament versterken via innovatie, industriële capaciteit en een goed werkende interne markt.
Het einddoel is een vorm van ‘slimme globalisering’: een open economie die tegelijk voldoende weerbaar is om geopolitieke schokken op te vangen. Geen terugplooien op zichzelf, maar een doordachte strategie waarin economische veiligheid en internationale samenwerking hand in hand gaan.
Frank Beckx
CEO Voka